Home

Enige ervaringen met de gevlekte skaapsteker (Psammophylax rhombeatus)

Door Ton Steehouder

Verschenen in het Tijdschrift voor terrariumkunde en herpetologie, maandelijkse uitgave van de Tilburgse Terrarium Vereniging, jrg. 4, nr. 8 (maart 1987), p. 157-164.

INLEIDING

Van het geslacht Psammophylax De gevlekte skaapsteker (P. rhombeatus) is verspreid in het grootste deel van Zuid-Afrika in savannegebieden, en komt hier en daar ook in NamibiŽ voor. Een aparte ondersoort P.r. ocellatus, komt voor in Zuid-Angola. De gestreepte skaapsteker, P. tritaeniatus, komt voor in de noor≠delijke regionen van Zuid-Afrika, in Botswana, Na≠mibiŽ en Zimbabwe, in zuidelijk Angola en zuidoostelijk ZaÔre en Tanzania. Exemplaren uit Natal behoren tot de gestreepte vorm van P.r. rhombeatus. Een derde soort, Psammophylax variabilis, met drie ondersoorten, komt voor in de graslanden in de gebergten van Ma≠lawi tot EthiopiŽ. Al deze soorten zijn kleine tot mid≠delgrote, dagactieve jagers met een breed voedsel-spectrum. Behalve P. variabilis variabilis zijn alle soorten eierleggend. P. rhombeatus legt tot 30 eieren met een maximale grootte van 35x18 mm, terwijl tritaeniatus 5-18 eieren legt met een maximale maat van 25x12 mm. Er zijn waarnemingen dat beide soor≠ten af en toe om de eieren heen gekronkeld lig≠gen, zodat er misschien sprake is van broedzorg of echt broeden. P.v. variabilis kan dit broeden dan even≠tueel verder ontwikkeld hebben en levendbarend zijn geworden.

PSAMMOPHYLAX RHOMBEATUS

De gevlekte skaapsteker is een fors gebouwde slang, die tot 1.20 m lang wordt. De verwantschap met Psammophissoorten als P. sibilans en P. subtaeniatus is duidelijk te zien. De naam 'skaapsteker' is misleidend: als opistogliefe slang (met gifklieren die uitmonden bij gegroefde en verlengde tanden achter in de bovenkaak) kan P.  rhombeatus een schaap of een ander groot dier geen schadelijke beet toedienen. De skaapsteker komt voor in de droge savanne en in gras≠land, tot hoog in het gebergte toe. Plaatselijk komt ze nog veelvuldig voor. Het is een vreedzame slang die maar zelden bijt. Ze voedt zich met hagedissen en muizen, en lijkt dus ook in dat opzicht op haar ver≠wanten, zoals de zandrenslangen en de Europese hage≠disslang. Gedurende de zomer (in Zuid-Afrika in ok≠tober tot december) legt ze 30 eieren in rottende bla≠deren of andere geschikte plaatsen. Het wijfje pleegt broedzorg: ze rolt zich om de eieren heen tot de jonger na vijf tot zes weken uitkomen.

DE GIFTIGHEID

Een aantal colubriden in zuidelijk Afrika heeft duide≠lijk vergiftigingsgevallen veroorzaakt. In geen van de beschreven gevallen is de vergiftiging ernstig geweest. Desondanks blijft voorzichtigheid geboden. Alle gif be≠staat tenslotte uit lichaamsvreemde eiwitten, en kan dus mogelijkerwijze immunologische gevoeligheid veroor≠zaken bij latere beten. Zeker als een zoogdierprooi snel sterft na een beet van een colubride slang, is het raadzaam dit als een waarschuwing te beschouwen. Aan de andere kant is een vergiftigingsbeet van een opistogliefe of zelfs agliefe slang uitsluitend te ver≠wachten als het dier in de hand genomen wordt, en zelf; dan alleen als het dier ruw behandeld wordt. Ze moeten tenslotte een vinger goed beetpakken en kauwen om gif in te kunnen brengen.

Voor de skaapsteker betekent dit in elk geval dat ze alleen met handschoenen aan gepakt moeten worden, wil men elk risico vermijden.

In 1919 bracht F.LU. FitzSimons verslag uit van enkele wrede experimenten, waaruit bleek dat P. rhombeatus duidelijk een gif bezit, dat mogelijk neurotoxisch van aard is. Hij liet skaapstekers naakte plekken op de poten van 11  kuikens bijten en merkte op dat drie ervan stierven binnen 10 tot 360 minuten. Bij een vogel die niet stierf, verkleurde de plek groengeel en zwol de hele poot op. In een latere publicatie (1929) vermeldde FitzSimons, dat 'skaapstekergif zowel een zenuw- als een bloedgif is. De symptomen zin duizeligheid, vermoeidheid, koude klamme huid en koud zweet op het voorhoofd. Op de plaats van de wondjes van de giftanden heeft een kleine zwelling plaats, met verkleuring van het omringende weefsel.' Vermoedelijk gaat het hier om symptomen bij de mens. De gronden voor zijn bewering dat skaapstekergif verhoudingsgewijs giftiger zo zijn dan dat van cobra's of mamba's, blijven echter onduidelijk. Gedetailleerde gegevens heeft hij nergens vermeld. Zijn experimenten waren slordig en weinig controleerbaar. Moderner onderzoek zou nodig zijn. Chapman (1968) nam een lichte plaatselijke reactie waar, verkleuring en zwelling inhoudend, waarbij eenmaal met koortsrillingen, bij in totaal drie gevallen van beten van de skaapsteker in Natal. Soortgelijke verschijnselen deden zich voor bij een bijtgeval in de oostelijke Kaapprovincie.

WAARNEMINGEN

In december 1986 verwierf ik een exemplaar dat niet lang tevoren uit Zuid-Afrika was meegebracht. Waar het dier precies gevangen was, is mij niet bekend. Het ging in elk geval om een sterk gestreept exemplaar, zodat ik aanneem dat het behoord tot de gestreepte vorm van P.r. rhombeatus uit Natal. De rugstreep was bruinzwart, drie schubrijen breed en gezoomd met een zwarte lijn. Naar beneden toe volgde dan een gele streep van ongeveer 1 schubrij breed, waarna een bruin- tot metaalgrijze streep van ongeveer drie schubrijen breedte. Hierna kwam een dunne zwarte streep, en vervolgens een dunne gele streep die grensde aan de anthracietkleurige zij- en onderkant. Een argeloze liefhebber zou zich makkelijk kunnen vergissen met een Noordamerikaanse kousebandslang te doen te hebben. In de nek was de zijstreep overigens meer een schakeling van ronde vlekken.

Het dier bezat 177 ventralen, 67 subcaudalen (gedeeltelijk gepaard), een gedeeld anaalschild, en 16 dorsale schubrijen in het midden van het lichaam. De romp-staartverhouding was ca 4:1. De totale lengte bedroeg 92 cm (dood gemeten na vier maanden gevangenschap).

De schubstructuur deed sterk denken aan die van de verwante Malpolon monspessulanus: midden door de schubben van de rug en de zijden loopt een soort gleuf (een 'omgekeerde kiel'). De kop was korter en plomper dan bij Malpolon het geval is, en de bekende 'frons' (het overstekende supraoculairschild) ontbreekt. Dit exemplaar leek in sommige gedragingen op Malpolon monspessulanus, in andere juist niet. Zo was er geen sprake van de felle agressiviteit zoals die door de hagedisslangen wordt tentoongespreid. Weliswaar was het dier uiterst alert, en reageerde het onmiddellijk op visuele impulsen (zoals het bewegen van een hand voor het glas, of het lopen door de kamer), maar het siste niet, en had geen neiging tot aanvallen of bijter zelfs niet als het rustig werd vastgepakt. Overigens liet het wel in dit laatste geval een stinkend secreet samen met urine uit de cloaca spuiten, wat ook een twijfelachtig genoegen betekende.

Vanaf het begin accepteerde het dier gretig jonge ratjes en muizen, die op dezelfde manier werden gevangen als bij de hagedisslang het geval is: de slang schiet o de prooi af, maar nadert deze van achteren, wacht vit boven de muis in een boog gespannen tot deze wegloopt en grijpt dan pas in de nek. Prooi die niet wegloopt wordt tenslotte wel gegrepen, maar niet dan na aarzeling. Het vastgrijpen zelf gebeurt met grote heftigheid. Vervolgens wacht de slang, de prooi veelal omstrengeld houdend, tot het gif zijn werking heeft verricht. Na een tot enige minuten is dat het geval. Bij voldoende temperatuur gaat de vertering en na ongeveer twee dagen is er ontlasting. Deze wijze van jagen heb ik ook geconstateerd bij exemplaren van de eveneens verwante soort Psammophis subtaeniatus. Evenals bij deze, gaat het bij de jacht weleens mis, zodat de muis de slang in de lip bijt. Ik heb de indruk, dat in dat geval een ontsteking ontstaat in de bovenlip (ongeveer daar waar de gifklier zich bevindt), sneller dan bij andere slangen. In elk geval was dat bij dit exemplaar het geval, evenals dat gebeurde bij twee exemplaren P. subtaeniatus. Bij andere soorten is dit bij mij nog nooit voorgekomen.

Na de maaltijd, en verder onregelmatig bij hoge temperaturen, vertoonde dit exemplaar poetsgedrag: op- en neergaande bewegingen wan de kop langs bijna de gehele onderzijde van het lichaam, waarbij een vloeistof wordt afgescheiden uit een klier bij de neus. De slang tilt daarbij de onderzijde van het lichaam iets op en helt iets over om het poetsen te vergemakkelijken. Hoewel ik niet in de gelegenheid ben geweest dit poetsgedrag zo nauwkeurig te bestuderen als C. de

Haan heeft gedaan bij Malpolon monspessulanus, is het poetsgedrag van Psammophylax rhombeatus voor zover ik heb kunnen waarnemen identiek aan dat van Malpolon monspessulanus. Ook Psammophis subtaeniatus vertoont dit poetsgedrag, maar dan in een 'elegantere', ingewikkelder vorm (De Haan, 1982; Steehouder, 1984). De precieze 'bedoeling' van dit gedrag is voor zover ik weet nog niet bekend. Een interessant aspect van dit dier is verder, dat de giftanden (verlengde tanden in de bovenkaak ongeveer onder de ogen) bij het naar binnen werken van de prooi actief gebruikt worden, waarbij ze beurtelings (wanneer de kaakhelft waarin ze zich bevinden, de voor- en vervolgens achterwaartse be¨

weging maakt) 'gekanteld' worden: duidelijk is dan te zien hoe de tand vanuit een naar achteren gerichte positie naar voren geklapt wordt, in de prooi geslagen wordt, en vervolgens meehelpt deze naar achteren te trekken. C. de Haan heeft dit voor Malpolon monspessulanus beschreven (De Haan, 1982), en aan dit artikel ontleen ik figuur 1.

EPILOOG

Het exemplaar dat ik gedurende een (te) korte periode kon waarnemen, heb ik tenslotte verloren tengevolge van een stommiteit. Omdat ik aannam dat deze soort even warmte- (of liever hitte-) lievend was als hagedisslangen, had ik het terrarium voorzien van een sterke lamp, temeer omdat ik hoopte dat door voldoende warmte de ontsteking van de bovenlip sneller zou genezen. Helaas maakte ik daarbij de fout een te sterke lamp te pakken. Hoewel dit dier niet de neiging vertoonde de warmte te ontvluchten (door bijvoorbeeld naar de voorruit te komen), liep de temperatuur in het terrarium te hoog op. Toen ik dit ontdekte was het te laat. Het dier vertoonde krampachtige spiertrekkingen zoals ook wel worden waargenomen bij slangen met een vitamine-B-deficiŽntie (zoals kousebanden die met diepvriesvis gevoerd zijn), en was voor het overige lusteloos. Injecties met een multivitaminepreparaat (Duphafral multi, 0,2 ml) en met een calciumpreparaat (Calci-Tad 50, 0.2 ml), beide onderhuis toegediend, leken aanvankelijk succes te hebben: het dier werd rustig en de spiertrekkingen hielden op. Het proces bleek echter onomkeerbaar, en de slang stierf na enige dagen alsnog.

In feite heb ik dus op schandelijke wijze een slang verloren, vind ik zelf. Ik vermeld het echter als waarschuwing voor anderen.

Hoe hoog de temperatuur precies opgelopen is, weet ik niet, maar ik schat dat het gedurende langere tijd boven de veertig graden is geweest. In dit verband is het interessant te weten dat exemplaren van Malpolon en Psammophis vaak urenlang liggen te zonnen op plaatsen die aanmerkelijk warmer zijn. Misschien dat de vraag of er veel of weinig zuurstof aanwezig is (dit terrarium ventileerde minder goed) een rol speelt, en dat zuurstofgebrek door de hoge temperatuur de doorslaggevende factor is geweest. Ik zal in elk geval weer een hels tijd voorzichtiger zijn!

LITERATUUR

W.R. Branch. Venomous Snakes of Southern Africa. 3. Concluding Part: Colubridae. Bulletin of the Maryland Herpetological Society, Vol. 17, Mo. U (31 December 1981), p. 125-150.

Ludwig Trutnau. Schlangen im Terrarium. Band 1: Ungiftige Schlangen. 2. Aufl. (1981), p. 182-183.

Haan, C.C. de, 1982. Description du comportement de 'frottement' et notes sur la reproduction et la fonction maxillaire de la Couleuvre de Montpellier Malpolon monspessulanus. Bull. Soc. Herp. France, No 23: 35-49.

Steehouder, A.M., 1984. Herhaalde succesvolle kweek met de 'zandrenslang' Psammophis subtaeniatus sudanensis en opmerkingen over het 'poetsgedrag'. Litteratura Serpentium, Vol. , 3/4 (juli 1984), p. 94-108.