Home

Herhaalde kweek met de hagedisslang

door Ton Steehouder

DE SOORT

De hagedisslang komt voor in Zuid-Europa, het Westkaspische gebied, Zuidwest-AziŽ en Noord-Afrika. Er zijn twee ondersoorten: Malpolon monspessulanus monspessulanus en M. m. insignitus.

Het is een slang van warme, droge biotopen. Hij is schuw van aard en verschuilt zich graag. Het is geen voedselspecialist, maar heeft wel een voorkeur voor hagedissen. Daarnaast eet hij knaagdieren, vogels en slangen.

Het gaat hier om een opistogliefe soort: de dieren hebben een gifklier en verlengde, gegroefde tanden in de bovenkaak ongeveer onder het oog. Het gif is vrij werkzaam voor de prooidieren. Bij mensen kan er tijdelijke stijfheid en gevoelloosheid optreden als het dier langere tijd op een vinger of hand heeft kunnen kauwen.

MISKEND

Al in 1984 schreef ik in dit tijdschrift dat de hagedisslang (Malpolon monspessulanus) als terrariumdier nog steeds niet op waarde geschat wordt. Veel uitspraken worden na verloop van tijd achterhaald, maar dat is bij deze niet het geval. Nog steeds is het geen populaire slang, hoewel hij dat zeker wel zou verdienen. Weliswaar is het volgens de meeste mensen geen mooie slang om te zien, maar wat het gedrag betreft is het zeker een veel interessantere slang om te houden dan de meeste andere. En wat heet mooi? De 'strenge', bijna boze uitdrukking van de kop, de grote ogen die alles in de gaten lijken te houden, de typische houding met het voorste deel van het lichaam omhoog, de schitterende, soepele manier van bewegen: dat alles is toch buitengewoon mooi te noemen.

Het is ook geen moeilijke slang om te houden: als het terrarium in orde is, doet hij het prima. Wat die eisen betreft: zand op de bodem, schuilgelegenheid achter in de bak, een gloeiend hete plek onder een spot of op een bodemverwarming, dat is eigenlijk alles wat er nodig is voor het goed houden van hagedisslangen. Verder zijn ze ijzersterk en mankeren ze zelden wat. Het enige is, dat ze nogal gevoelig zijn voor bloedluis: als je bloedluis onder je slangen hebt, heb je die waarschijnlijk het eerst bij de hagedisslangen.

Interessant is het al vaker beschreven 'poetsgedrag': vooral als het warme en droog is, meestal na het vervellen en vaak ook na het eten, wrijft het dier met de snuitpunt volgens een vastgelegd patroon langs de onder- en zijkant van zijn lichaam, waarbij een kleurloze, snel drogende kliervloeistof wordt aangebracht die vanuit de neus wordt afgescheiden. De beweging heeft het karakter van een langs de hele zijde herhaald op en neer wrijven. Nadat de ene kant gedaan is, komt de andere kant aan de beurt.

Het dier is beroemd om zijn luide gesis als het zich bedreigd voelt. Als je in de buurt van het terrarum komt, hoor je dan ook vaak een enorm luid sissen, zelfs van dieren die al jaren in gevangenschap zijn of in gevangenschap geboren zijn. Ik heb zelf niet de indruk dat de dieren ooit echt tam worden, zeker niet als je ze een beetje kort houdt en niet teveel voert. Het enige wat je bereikt is, dat ze niet meer onmiddellijk bijten. Wegvluchten en sissen gaat ze echter nog altijd prima af.

Een probleem bij het kweken is, dat de jongen zelden uit vrije beweging aan de nestmuizen beginnen. Jonge slangen en hagedissen lusten ze maar wat graag, maar als je ze direct op nestmuizen wilt hebben, dan moet je eerst een tijdje dwangvoeren. Na verloop van tijd beginnen ze dan dode en levende nestmuisjes te eten, en vanaf dat moment kan de groei heel snel gaan.

 DE DIEREN

Ten tijde van de kweek bevonden zich in het terrarium twee mannen en twee vrouwen.

De oudste man (man 1) is sinds 1982 in mijn bezit, de jongste man sinds 1984. Beide zijn uit Spanje afkomstig. Ik schat de leeftijd van man 1 op dit moment (1989) op een jaar of negen, die van man 2 op een jaar of zeven. Man 1 woog in 1988 ca 690 gram.

Man 1 is enige jaren geleden sterk beschadigd geraakt. In een vervellingsperiode kreeg hij opeens grote onderhuidse blazen vol kliervloeistof. Na de vervelling was op die plaatsen de huid verweekt. Daarna droogden de plekken keihard op, zodat de huid daar niet meer kon rekken. Bij het eten scheurde het dier over een lengte van een centimeter of tien open, zodat het rauwe vlees te zien was. Ik heb eigenlijk niet veel meer gedaan dan de plekken ontsmetten, en het dier een kalk-vitamine-injectie geven. In de loop van het volgende jaar groeiden de scheuren eigenlijk nog vrij snel dicht. Het dier is nu niet mooi meer, maar het is gezond en sterk en heeft sindsdien tweemaal nakweek verwekt. De oorzaak van de blaasvorming heb ik overigens nooit kunnen achterhalen.

De oudste vrouw (vrouw 1) kocht ik in 1983. Het is een Spaans exemplaar. Ik schat haar leeftijd nu op een jaar of zeven. Haar gewicht was ten tijde van de kweek in 1988 ca 340 gram. De jongste vrouw heb ik in 1985 gekocht van een particulier die haar in Zuid-Frankrijk had gevangen. Ik schat haar leeftijd op een jaar of zes. Het is een buitengewoon mooi vrouwtje, dat enige tijd nadat ik haar gekregen had eieren legde waaruit zeer fraai getekende jongen kwamen.

DE KWEEK IN 1987

In 1987 hebben de dieren van 1 januari tot 25 januari een winterrust gehad bij temperaturen die schommelden tussen 8 en 14 graden, afhankelijk van de buitentemperatuur. In de periode daarna ging de lamp enkele uren per dag aan, de rest van het etmaal was het dan koud (ca 12 graden).

Mannetje 1  at weer vanaf 3 februari, vrouwtje 1  vanaf 11 febru≠ari. Hun voedselopname was duidelijk groter dan die van het andere in het terrarium aanwezige koppel. Dominant gedrag van mannetje 1 tegenover het andere koppel maakte dat ik de beide paren gescheiden huisvestte.

Paringen heb ik niet waargenomen, avances wel. Die bestaan bij deze soort uit een onophoudelijk wriemelen en op en neer schuiven met de staart door het mannetje. Een enkele maal heb je geluk en zie je de lange, dunne, regenwormachtige hempenis van het mannetje als het ware over het vrouwtje tasten.

Het vrouwtje vervelde op 30-5 voor de eerste maal dit jaar en legde op 14-15 juni gedurende de nacht negen eieren. De maten ervan waren als volgt:

ei nr

maat

1

50 x 24mm

2  

48 x 24mm

3  

55 x 25mm

4

46 x 24mm (gewicht 21 gram)

5

47 x 23mm

6

43 x 25mm

7  

40 x 24mm

8

45 x 24mm

9  

48 x 25mm

Op 23 juni bleken vijf eieren bedorven, waarvan drie zeker wel bevrucht waren. Op 30 juli werden vier jongen geboren, van 10,11,11 en 12 gram, waarvan ik denk dat er drie mannetjes zijn en een vrouwtje  (op grond van het feit dat de 'mannetjes' heel weinig koptekening vertonen en betrekkelijk weinig lichaamstekening, terwijl het 'vrouwtje' meer lichaamstekening heeft en veel koptekening, ook op de onderkant ervan.

Ik heb de jongen niet gemeten na de geboorte. Op dit moment (na enkele malen dwangvoeren) vertonen ze de volgende afmetingen en gewichten (kleine meet- en weegafwijkingen buiten beschouwing gelaten):

geslacht

lengte

gewicht

mannetje

ca 38cm

11g

vrouwtje

ca 35cm

11g

mannetje

ca 35cm

11g

mannetje 

ca 35cm

11g

Een van de jongen (een mannetje) begon na enige weken zelfstandig te eten : vrij grote nestmuisjes, levend en dood. Een tweede (het vrouwtje) begon na enkele malen dwangvoeren eveneens te eten : aangesneden nestmuis. De overige twee moesten langer gedwangvoerd worden, wat ik deed met rattestaarten. Op 25 oktober bleek dat het grootste mannetje, het goed etende, een van de andere mannetjes als maaltijd had gebruikt. Een zuivere vorm van kannibalisme dus. Dit had ik  bij Malpolon nooit eerder meegemaakt. Ik moet erbij zeggen dat ik ook voor het eerst jonge hagedis-slangen samen in een vrij klein bakje hield (40x20x20cm), en vrijwel constant warm. Na deze betreurenswaardige gebeurtenis heb ik  de resterende drie een groter terrarium gegeven (50x40 bodemoppervlak) met ook koelere plaatsen.

DE KWEEK IN 1988

In de winter van 1987 op 1988 gaf ik de dieren opnieuw een winterrust, nu acht weken bij temperaturen tussen de 6 en 12 graden, in hun eigen terrarium, zonder de paren te scheiden.

Op 4 mei constateerde ik paringsgedrag, opnieuw van man 1 en vrouw 1. Rond kwart voor twee in de middag was ik er zeker van dat er een paring plaatsvond, die ongeveer tien minuten duurde. Bij zo'n paring liggen de dieren doodstil tegen elkaar aan en wordt er niet meer gewiegeld en gewreven.

Vrouw 2 en man 2 deden opnieuw niet aan de voortplanting mee. Ik heb de stellige overtuiging dat hier sprake is van een dominante man (man 1) die als het ware het alleenrecht op voortplanting heeft. Op 30 april bijvoorbeeld nam ik waar dat man 1 man 2 met grote heftigheid verjoeg van de zonplaats, waarbij man 1 man 2 in de flank beet. Na een minuut of vijf kwam man 2 weer terug en werd toen getolereerd.

De zeven eieren werden in de nacht van 28 op 29 juni gelegd, vanaf ongeveer 22.00 uur. Ze werden net als het jaar ervoor in grof zand uitgebroed bij een temperatuur van 28 tot 29 graden. Na 46 dagen kwamen vijf jongen uit het ei, en wel op 13 augustus. Hieronder volgen de maten en gewichten van zowel de eieren als de jongen.

 

afmeting

Gewicht
op 29/6

Gewicht
op 1/7

Gewicht
op 8/7

jongen

53x25mm
53x25     
50x25     
50x25     
46x25     
51x25     
49x26     
20,5g
22
20
20
18
20
21
21,5g
22          
20          
20          
18          
20          
21          
21,5g
22
21
20,5
-      
20
21
14g
13,5       
bedorven
13
bedorven
13,5
13,5

De eieren 4 en 5 voelden na het leggen iets anders aan dan de andere eieren: ze leken iets zachter, iets 'vloeibaarder'.

Ei nr. 4 was bij doorlichting direct na het leggen ogenschijnlijk onbevrucht (geen adertjes te zien, geen kiemvlek). Op 1 juli daarentegen was het duidelijk te zien dat het ei bevrucht was.

Ei nr. 5 was bij doorlichting eveneens ogenschijnlijk niet bevrucht. Bij doorlichting op 1 juli was er wel sprake van een kiemvlek, maar onderin het ei in plaats van bovenin. Ik heb het ei toen precies zo teruggelegd. Het bedierf later, waarna ik het heb verwijderd. Er is mogelijk verband tussen het bederven en het feit dat de kiemvlek onderin het ei zat. Mogelijk is het nodig dat de kiemvlak boven zit, maar gebeurt het af en toe dat er een ei bij het leggen verkeerd terecht komt.

Ei nr. 3 had op 7 juli een soort 'puist' gekregen van onderen en rook verkeerd. Er waren nog wel aderen te zien, dus ik liet het nog even liggen. Het bleek later toch bedorven.

TOEKOMSTPERSPECTIEF

Ik verwacht dit jaar opnieuw nakweek van dezelfde dieren en hopelijk ook van vrouwtje 2. Het lijkt erop dat ik een stabiele kweek heb van de hagedisslang.

Het aantal liefhebbers van deze slangen breidt zich heel langzaam uit, merk ik. Binnen onze vereniging zijn er nu vier mensen die hagedisslangen houden, en het worden er binnenkort misschien vijf. En terecht!