Home

Kannibalisme bij slangen

door Ton Steehouder
 

Oorspronkelijk verschenen in Het Terrarium.

KANNIBALISME
Regelmatig wordt er met name onder slangenhouders gepraat over gevallen van kannibalisme. Een goede reden dit verschijnsel eens onder de loupe te nemen.
Kannibalisme bij slangen is niet hetzelfde als het eten van slangen als prooi. Veel slangen zijn ophiophaag, d.w.z. slangenetend, maar normaal gesproken eten zij alleen soorten die zij niet als 'soorteigen' herkennen.
Je spreekt pas van kannibalisme in strikte zin als het gaat om het opeten van soortgenoten. Dat hoeft waarschijnlijk niet altijd te betekenen 'leden van dezelfde door beschrijvers vastgestelde soort': het lijkt erop dat slangen soms een wat andere opvatting hebben dan taxonomen!
De vraag doet zich voor of kannibalisme ook voorkomt onder slangen in de vrije natuur. Bijna alle beschreven gevallen kwamen voor bij slangen in gevangenschap. Nu kan het zijn dat wij het bij slangen in de natuur alleen maar niet waarnemen, omdat het grootste deel van hun leven zich voor ons in het verborgene afspeelt, maar het is heel waarschijnlijk dat gevangenschapsfactoren een rol spelen.
Echt kannibalisme komt waarschijnlijk ook onder slangen in de natuur niet of nauwelijks voor. Het zou verre van een voordeel voor een soort betekenen als de leden ervan elkaar zouden opeten in plaats van zich samen voort te planten. Petzold (1984) onderscheidt dan ook twee vormen van kannibalisme: echt kannibalisme en pseudo-kannibalisme. Dit laatste is geen echt kannibalisme, maar wordt uitgelokt door ongewone omstandigheden. Binnen deze laatste vorm onderscheidt hij twee ondervormen:
a. overbevolkingskannibalisme: veroorzaakt door gedwongen bijeenzijn van een te groot aantal soortgenoten in een te kleine, niet uit te breiden ruimte;
b. prooinijdkannibalisme: vechtend om dezelfde prooi verslindt de ene slang de andere.
Overbevolkingskannibalisme komt in slangenterraria ook voor als de beschikbare ruimte ogenschijnlijk niet overbevolkt is, bijvoorbeeld als er maar een enkel paartje in gehuisvest is. De voortdurende onontwijkbare aanwezigheid van de woongenoot kan er dan de oorzaak van zijn dat schijnbaar zomaar ineens de grotere de kleinere slang opeet.

LECTUUR
(Pseudo)kannibalisme bij slangen wordt door verschillende auteurs beschreven, en ook in onze eigen omgeving ken ik verschillende mensen bij wie iets dergelijks heeft plaatsgevonden. Denk maar aan het artikeltje van Peet Smetsers in een van de laatste afleveringen van ons eigen tijdschrift!

GIFSLANGEN
Bij adders en groefkopadders, die na de beet in het algemeen de prooi weer loslaten, zou prooinijdkannibalisme minder voorkomen dan bij slangen (ook gifslangen zoals cobra's) die de prooi vasthouden en vervolgens wegwerken. Toch komt het verschijnsel ook bij deze gifslangen voor, zoals blijkt uit een aantal vermeldingen ervan in de natuur. Overigens: wie koperkoppen in een vraatzuchtige bui wel eens in het terrarium heeft gevoerd, weet heel goed dat in de beperkte ruimte van het terrarium waar de dieren elkaars jachtgedrag kunnen zien en de geur van elkaars prooi kunnen ruiken, ongelukken gemakkelijk gebeuren. Ik heb zelf vaak genoeg met de vanghaak ordenend op moeten treden bij Agkistrodon contortrix mokasen en A. c. laticinctus.

KOPERKOP
Mitchell (1977) beschrijft een geval bij de koperkop (Agkistrodon contortrix). Een worp van koperkopjes, geboren op 25 september 1976, werd gevoerd met nestmuizen. Op 14 maart 1977 zag Mitchell hoe een van de jongen een dood broertje (of zusje) aan het verslinden was. Ze waren even groot, nl. 227 mm. Het verslinden nam ongeveer drie uren in beslag, met rustperioden van 1 tot 15 minuten lang. De kannibaal bleef leven tot 18 maart, toen het stierf, waarschijnlijk tengevolge van de te overvloedige maaltijd.

TIJGERPYTHON
Ik herinner mij dat in 1983 of 1984 een jonge tijgerpython (Python molurus bivittatus) bij een handelaar in Tilburg een zusje (of het moet een broertje geweest zijn) op soortgelijke wijze gedurende de nacht verslond, en net als de koperkop van Mitchell deze schranspartij niet overleefde.
Ook voor de lichte tijgerpython komt men in de literatuur vermeldingen tegen van kannibalisme bij jonge exemplaren (Millard 1902; Acharjyo & Misra 1976).

BOA'S
Van twee in de dierentuin van Londen sinds negen maanden samenwonende Boa constrictors wurgde en verslond een dier van 3,40 m lang het andere (2,75 m) toen ze samen dezelfde duif wilden wurgen (Bartlett, 1894).

WEER KOPERKOPPEN
Harris (1977) beschrijft gevallen van kannibalisme bij groefkopadders. Hij hield zijn ratelslangen vrijwel altijd gescheiden van elkaar in afzonderlijke terraria. Bij tijd en wijle was het echter nodig dieren bij elkaar te zetten. Hij probeerde dan altijd exemplaren van ongeveer gelijke grootte bij elkaar te plaatsen. In achttien jaar kwam hij twee gevallen van kannibalisme tegen.
Op 31 juli 1960 zette hij drie noordelijke koperkoppen (Agkistrodon contortrix mokasen) van achtereenvolgens 56, 61 en 76 cm lengte bij elkaar in een donker verblijf voor hij de stad uit ging. Toen hij op 15 augustus terugkwam, was hij het exemplaar van 61 cm kwijt, hoewel het metalen verblijf ontsnappingsvrij was. Het dier werd enkele dagen later gedeeltelijk weer uitgebraakt door het grootste dier. Nu was het dier van 61 cm toen de slangen in het verblijf werden geplaatst, mager, terwijl de beide andere dieren in prima gezondheidstoestand waren. Harris neemt aan dat het magere dier gestorven is en daarna gegeten door het grootste dier.

RATELSLANGEN
Het tweede geval dat Harris beschrijft, vond plaats in 1975 en ging om Crotalus lepidus klauberi. Bij deze ondersoort was al eerder kannibalisme gerapporteerd door WILLIAMSON (1971). Drie exemplaren, een vrouwtje in de 'blauwe fase' van de vervelling en twee mannetje van 53 en 61 cm lengte, waren tijdelijk ondergebracht in een verzamelkist. Drie dagen later werd de kist geopend en bleek een van de mannetjes zojuist het vrouwtje verorberd te hebben. Enkele weken later stierf dit mannetje. Aangezien ook in dit geval het vrouwtje nogal mager was, neemt Harris opnieuw aan dat het vrouwtje al gestorven was voor het werd verslonden.

PER ONGELUK?
Ook Powers (1972) en Mitchell (1977) wijzen erop dat de opgegeten slangen gestorven waren voor ze werden opgegeten.
Harris oppert de mogelijkheid dat het in al deze gevallen niet gaat om opzettelijk kannibalisme, maar om toevallig voedingsgedrag, uitgelokt door de situatie. Toen de slangen dood waren, werden ze eenvoudig voedsel. Het is van veel slangen bekend dat ze dode prooi graag eten. Bovendien is het uit gevangenschapsgegevens bekend dat veel slangen prooi eten die niet normaal tot hun voedselaanbod behoren. Harris neemt aan dat de gevallen waarin slangen in gevangenschap levende soortgenoten eten, hoofdzakelijk te wijten zijn aan opwinding tijdens eetgedrag, als de slangen door de aanwezigheid van prooi opgewonden zijn en koortsachtig op zoek gaan naar meer eten: prooinijdkannibalisme dus.

KORENSLANGEN
Uit eigen ervaring ken ik enkele gevallen die niet in overeenstemming lijken met deze veronderstelling van Harris, maar integendeel meer lijken op het door Petzold onderscheiden overbevolkingskannibalisme, zoals het geval van een jonge korenslang (Elaphe guttata guttata) die samen met enkele andere jongen van hetzelfde legsel in een klein (80x20x20 cm) terrarium woonde. Ondanks dat er herhaaldelijk allerlei voedsel werd aangeboden, weigerde het diertje te eten. Op zekere dag verslond het echter - zonder dat er voedsel in het terrarium aanwezig was - een ander jong, en enkele dagen later nog een. Beide malen verteerde het diertje de grote prooi (zij het dat er vrij veel onverteerd weer van ontlast werd) en overleefde het zelf de eetpartijen.
Soortgelijke gevallen van kennelijk overbevolkings¬kannibalisme bij korenslangen vinden we ook in de literatuur (bijvoorbeeld Hillis, 1974).
Overigens heeft John Brand vorig jaar in dit tijdschrift een geval beschreven van kannibalisme bij de gele ratslang (Elaphe obsoleta quadrivittata). In dit geval overleefde echter het diertje het niet.

KOUSEBANDSLANGEN
Duelmann beschreef in 1948 kannibalisme van de lintslang (Thamnophis sauritus) tegenover haar eigen jongen. Ik heb het artikel niet kunnen inzien, dus ik weet niet onder welke omstandigheden een en ander plaatsvond. Het komt wel meer voor dat slangen na de worp de onbevruchte eieren zelf opeten. Misschien dat hier een 'vergissing' in het spel was.
Bij kousebandslangen, die zeer sterk op de geur jagen en die helemaal hysterisch kunnen worden van de geur van regenwormen, is kannibalisme zelfs voor de hand liggend als door de worsteling met een regenworm een dier nogal naar regenworm is gaan ruiken. Hierbij moeten we steeds weer bedenken dat in de natuur de dieren elkaar zelden of nooit tijdens het eten tegen zullen komen, en dat wij er zelf de oorzaak van zijn dat dat in het terrarium wel het geval is.

HAGEDISSLANGEN
Een soortgelijk geval had ik twee jaar geleden, toen een pasgeboren hagedisslang (Malpolon monspessulanus) tot tweemaal toe een broertje (of zoiets) 'tot zich nam', en dit avontuur net als de korenslang prima overleefde. Ook in dit geval was er geen prooi in het terrarium aanwezig, en was er ook niet pas gevoerd. Nu is de hagedisslang wel een beruchte slangeneter. Uit eigen waarneming weet ik hoe fel ze afvliegen op jonge slangetjes van andere soorten (in mijn geval Psammophis subtaeniatus). Kannibalisme onder vergelijkbare omstandigheden als in het hier beschreven geval komt overigens bij mijn weten bij jonge hagedisslangen meer voor.

BESLUIT
De opsomming hierboven is niet uitputtend. Er waren meer voorvallen te melden geweest, met vele literatuurverwijzingen. Het is echter aardiger, het hierbij te laten en de lezers te vragen hun eigen ervaringen met het verschijnsel op schrift te stellen, net als John Brand en Peet Smetsers hebben gedaan.

LITERATUUR
Acharjyo, L.N. and Misra, R., 1976. Aspectys of reproduction and growth of the Indian python, Python molurus molurus, in captivity. Brit. J. Herpet. 5:562-565.

Bartlett, A.D., 1894. On a single case of one snake swallowing another in the Society's reptile house. Proc. Zool. Soc. London, 669-670.

Brand, John, 1988. Kannibalisme bij een pasgeboren gele ratslang. Het Terrarium 6(3):68-69.

Harris, Herbert S., 1977. Additional Notes concerning cannibalisme in pit vipers (Serpentes: Crotalidae). Bulletin of the Maryland Herpetological Society 13(2):121-122.

Hillis, D.M., 1974. A note on cannibalism in Corn snakes, Elaphe guttata guttata. Bull. Maryland Herpetol. Soc. 10:31-32.

Millard, W.S., 1902. Cannibalism in snakes. J. Bombay Nat. Hist. Soc. 14:395-396.

Mitchell, Joseph C., 1977. An instance of cannibalisme in Agistrodon contortrix (Serpentes: Viperidae). Bulletin of the Maryland Herpetological Society 13(2):119-120.

Petzold, Hans-Guenter, 1984. Aufgaben und Probleme bei der Erforschung der Lebensausserungen der Niederen Amnioten (Reptilien). Berliner Tierpark Buch 38.

Powers, Arnold, 1972. An instance of cannibalisme in captive Crotalus viridis helleri with a brief review of cannibalisme in rattlesnakes. Bulletin of the Maryland Herpetological Society 8(3):60-61.

Smetsers, Peet, 1989. Hoezo 'stress-ongevoelig'? Het Terrarium 6(8):214-215.

Williamson, M.A., 1971. An instance of cannibalisme in Crotalus lepidus (Serpentes: Crotalidae). Herpetological Review 3(1):18.