Home

ONVERWACHTE EN TREURIG AFGELOPEN KWEEK MET PSAMMOPHIS SIBILANS

door Ton Steehouder

Oorspronkelijk verschenen in 1994, herzien in 2011

INLEIDING

Al sinds 1983 kweek ik onregelmatig met slangen van het geslacht Psammophis: uit Afrika afkomstige snelle, dagactieve zichtjagers. Van mijn wederwaardigheden met deze slangen en het kweken ermee heb ik regelmatig verslag gedaan in en buiten dit tijdschrift. Ook dit jaar heb ik weer iets te melden over deze interessante slangen.

VOORGESCHIEDENIS

In 1983 kweekte ik voor de eerste maal met Psammophis subtaeniatus. Deze kweek heb ik uitgebreid beschreven in een artikel dat o.a. in Lacerta en in Litteratura Serpentium gepubliceerd is. In dit artikel wijdde ik een heel hoofdstukje aan de broedmethode. Zo heb ik eerst de eieren uitgebroed op een laagje vochtige aquariumfilterwatten, niet afgedekt. De eieren begonnen op den duur een soort hangbuik te ontwikkelen, waarschijnlijk doordat ze onderin wel vocht konden opnemen, maar bovenin niet. Het volgende legsel werd uitgebroed in vochtig zand, waarbij ik met grote zorgvuldigheid de eieren een beetje ingroef en bedekte met kluitjes vochtig zand. Ze werden op die manier in een plastic bakje waarin aan twee kanten een klein gaatje was geprikt voor enige ventilatie, in de broedstoof of de broedkast gezet.

Deze laatste broedmethode werkte zo voortreffelijk (het zand bleef mooi egaal de temperatuur vasthouden, de eieren werden niet vuil, de jongen waren direct goed zichtbaar) dat ik deze broedondergrond vanaf dat moment altijd ben blijven gebruiken, speciaal voor Malpolon en Psammophis. Alleen gebruikte ik de laatste jaren daarnaast ook wel vochtige houtkrullen, wat ook een mooi resultaat opleverde.

Ook de broedtemperatuur hield ik de eerste jaren zorgvuldig in de gaten. Ik hield de eieren keurig tussen de 27 en 30C, waarbij ik al zorgelijk begon te kijken als ze eens door omstandigheden wat afkoelden. Jaren later werd ik daar wat minder voorzichtig mee, en mochten de eieren best wat afkoelen.

Opmerkelijk was, dat de eieren door opname van vocht met name in de eerste weken geweldig in omvang en gewicht toenamen, net zoals dat ook bij eieren van de meeste Elaphe- en Lampropeltis-soorten het geval is. Opmerkelijk, omdat Psammophis toch in wat drogere gebieden voorkomt, en de eieren van het verwante geslacht Malpolon dat niet of nauwelijks doen.

De gegevens uit tabel 1 zijn afkomstig uit 1988 en eerder gepubliceerd (Steehouder, 1988). Zoals uit de tabel blijkt, namen sommige eieren ca. 50% in gewicht toe!

Kortom: de goede slangenhouder doet aan goede broedzorg: hij zorgt ervoor dat de eieren in een behoorlijk substraat voldoende vocht kunnen opnemen, en dat de temperatuur binnen de tolerantiegrenzen blijven voor een bepaalde soort.

MAAR TOEN

In 1994 paarde het vrouwtje Psammophis sibilans waarmee ik in 1992 succesvol gekweekt had, weer met verschillende mannetjes, waaronder ook hetzelfde mannetje Psammophis subtaeniatus sudanensis waarmee zij de kruisingen van 1992 had verwekt. In de eerste week van juni gingen alle Psammophis en Malpolon logeren bij een bevriende terrariumhouder omdat ik ging verhuizen en de terraria gedemonteerd moesten worden. De zandslangen verhuisden in hun eigen slaapkistje, gevuld met houtkrullen. Daarin trokken zij zich elke avond als het donker werd, keurig terug - wat in dit geval heel praktisch was: het was voldoende een deksel op de slaapkist te doen, deze dicht te tapen, en ziedaar: de verhuisdoos. Deze verhuisdoos/slaapkist bleven zij gebruiken tijdens hun logeerpartij, opnieuw tijdens het transport terug (eind juli) en daarna, toen zij terug waren bij mij, op het nieuwe adres. De zomer was heet, de temperatuur in mijn nieuwe slangenkamer steeg overdag naar zo'n 33C tijdens de heetste periode, en zakte 's nachts tot rond de 28C. Er waren enkele wat koudere dagen en nachten, maar dat waren er echt maar enkele.

Ik was druk met inrichten en verbouwen, en besteedde alleen de allernoodzakelijkste aandacht aan mijn slangen.

Op 8 augustus merkte ik tot mijn verbazing een dood jong op, dat in de takken hing. Na verwijdering van het jong en de slaapkist (wat wel even een felle jacht tot gevolg had op ontsnapte zandslangen, met een flink bebloede pols weer als gevolg daarvan), bleek dat het diertje ca. 30 cm lang was, en gezond en vol oogde (behalve dan dat het dood was). Op een kwart van de lichaamslengte van de kop af gerekend vertoonde het overlangs beschadigingen, duidelijk veroorzaakt doordat het overdwars door een van de oude dieren gebeten was (ongeveer in de hartstreek). Aan de onderzijde vertoonde het ook een bloeding. Het diertje hing in de takken. De aanvaller was vermoedelijk door mijn binnenkomst in de slangenkamer gestoord bij zijn snode toeleg en had zijn prooi laten hangen.

In de slaapkist, tussen de houtkrullen, vonden wij zeven eitjes van ongeveer dezelfde grootte als de vorige eieren van hetzelfde vrouwtje direct na het leggen waren. De schalen waren alle bros en sterk ingevallen (een dwarsdoorsnede zou een ingedeukt vierkant te zien geven. Er was duidelijk geen sprake geweest van vochtopname (dat zou ook niet gekund hebben), maar merkwaardig genoeg was er ook geen sprake geweest van volledige verdroging. De eieren moeten in de eerste week van juni gelegd zijn. Alle zeven eieren waren uitgekomen, maar zes jongen waren zoek, en - naar ik aanneem - opgegeten door de ouderdieren (ontsnapping uit het terrarium is minder waarschijnlijk in dit geval, de schuifruit had erg weinig ruimte).

OPMERKELIJK

Opmerkelijk aan dit geval is allereerst het feit dat de eieren van deze soort kennelijk weliswaar vocht opnemen tijdens de incubatie, maar dat dit blijkbaar geen noodzakelijke voorwaarde is voor een goede ontwikkeling van de jongen. In dit geval was vochtopname onmogelijk geweest: de eieren lagen in gortdroge houtkrullen. De relatieve luchtvochtigheid was eveneens niet hoog genoeg om veel zelfs maar theoretische compensatie te bieden: in elk niet boven de 70%.

Het komt er eigenlijk op neer, dat eieren van deze soort blijkbaar ook uit kunnen komen, als je ze gewoon maar ergens in het terrarium laat liggen. De soms bijna overdreven bezorgdheid van de beginnende slangenhouder die ik in 1983 nog was, krijgt in dit licht gezien een komisch accent.

Een tweede opmerkelijk feit is, dat de jongen (in elk geval op zijn minst n, voor de twijfelaars) door de ouderdieren zijn vermoord. Ik neem zonder meer aan dat ook de andere jongen het slachtoffer zijn geworden van kannibalisme.

Kannibalisme bij slangen is niet hetzelfde als het eten van slangen als prooi. Veel slangen zijn ophiophaag, d.w.z. slangenetend, maar normaal gesproken eten zij alleen soorten die zij niet als 'soorteigen' herkennen. Wat Psammophis betreft: de reactie van deze slangen als ze kleine andere slangetjes waarnemen, lijkt erop te wijzen dat kleine slangen van andere soorten waarschijnlijk tot hun prooiselectie behoren.

Je spreekt pas van kannibalisme in strikte zin als het gaat om het opeten van soortgenoten. Dat hoeft waarschijnlijk niet altijd te betekenen 'leden van dezelfde door beschrijvers vastgestelde soort': het lijkt erop dat slangen soms een wat andere opvatting hebben dan taxonomen!

De vraag doet zich daarbij voor of kannibalisme ook voorkomt onder slangen in de vrije natuur. Bijna alle beschreven gevallen kwamen voor bij slangen in gevangenschap. Nu kan het zijn dat wij het bij slangen in de natuur alleen maar niet waarnemen, omdat het grootste deel van hun leven zich voor ons in het verborgene afspeelt, maar het is heel waarschijnlijk dat gevangenschapsfactoren een rol spelen.

Echt kannibalisme komt waarschijnlijk ook onder slangen in de natuur niet of nauwelijks voor. Het zou verre van een voordeel voor een soort betekenen als de leden ervan elkaar zouden opeten in plaats van zich samen voort te planten. Petzold (1984) onderscheidt dan ook twee vormen van kannibalisme: echt kannibalisme en pseudo-kannibalisme. Dit laatste is geen echt kannibalisme, maar wordt uitgelokt door ongewone omstandigheden. Binnen deze laatste vorm onderscheidt hij twee ondervormen:

a. 
overbevolkingskannibalisme: veroorzaakt door gedwongen bijeenzijn van een te groot aantal soortgenoten in een te kleine, niet uit te breiden ruimte;

b. 
prooinijdkannibalisme: vechtend om dezelfde prooi verslindt de ene slang de andere.

Overbevolkingskannibalisme komt in slangenterraria ook voor als de beschikbare ruimte ogenschijnlijk niet overbevolkt is, bijvoorbeeld als er maar een enkel paartje in gehuisvest is. De voortdurende onontwijkbare aanwezigheid van de woongenoot kan er dan de oorzaak van zijn dat schijnbaar zomaar ineens de grotere de kleinere slang opeet.

In dit speciale geval lijken de ondervormen van Petzold echter niet van toepassing. Het lijkt mij aannemelijker, dat de kleine slangetjes niet als leden van dezelfde soort herkend werden, mogelijk door hun geringe grootte. Onder natuurlijke omstandigheden is een ontmoeting tussen de jongen en de ouderdieren natuurlijk wel vl minder waarschijnlijk dan in het terrarium.

VERGELIJKBARE ERVARING

Kees de Haan, die ik altijd raadpleeg in mysterieuze gevallen met Psammophinen, schreef me dat hij een vergelijkbare ervaring heeft gehad met zes eieren van P. schokari: alle eieren vond hij leeg en uitgedroogd terug in het terrarium, en alle jongen waren spoorloos. Omdat ook hier ontsnapping uitgesloten kan worden, zullen ook in dit geval de volwassen dieren de jongen hebben verorberd.

 

LITERATUUR

Petzold, Hans-Gnter, 1984. Aufgaben und Probleme bei der Erforschung der Lebensausserungen der Niederen Amnioten (Reptilien). Berliner Tierpark Buch 38.

Steehouder, A.M., 1984. 'Herhaalde succesvolle kweek met de 'zandrenslang' Psammophis subtaeniatus sudanensis en opmerkingen over het poetsgedrag.' Litteratura Serpentium Vol.4 (3/4):94-108 (ook in Lacerta 42 (10/11):194-200).

Ton Steehouder, 1988. 'Een nieuwe generatie zandslangen.' Het Terrarium 5(10), mei 1988.

Ton Steehouder, 1992. 'Een geslaagde kruising van Psammophis sibilans en Psammophis subtaeniatus in het terrarium.' Litteratura Serpentium 12(5):134-146 (okt. 1992).

Ton Steehouder, 1993. 'Over het verschijnsel kannibalisme bij slangen.' Het Terrarium 11(3):50-59.